Go To Top
Direct naar nieuwsberichten over:

 

Mededinging

Europese Commissie: inkoopprijsafspraken in strijd met kartelverbod

De Europese Commissie heeft drie recyclingbedrijven een boete van € 68 miljoen opgelegd voor prijsafspraken voor de inkoop van gebruikte autoaccu’s in België, Frankrijk, Duitsland en de VS. De bedrijven Campine (België), Recylex (Frankrijk), Eco-Bat Technologies (Verenigd Koninkrijk) en Johnson Controls (VS) spanden samen om de inkoopprijs die zij aan schroothandelaren en schrootverzamelaars uit het midden- en kleinbedrijf voor gebruikte autoaccu's betaalden, zo laag mogelijk te houden. Door hun afstemmingsgedrag, verstoorden de vier bedrijven de normale marktwerking en belemmerden zij prijsconcurrentie, aldus de Europese Commissie. Johnson Controls kreeg geen geldboete opgelegd omdat zij het bestaan van het kartel aan de Commissie onthulde.

Anders dan in de meeste kartels waarin bedrijven samenzweren om hun verkoopprijzen te verhogen, spanden de vier recyclingbedrijven samen om de inkoopprijs zo laag mogelijk te houden. Door de coördinatie om de inkoopprijzen zo laag mogelijk te houden, verstoorden de vier bedrijven de marktwerking en belemmerden zij de prijsconcurrentie. Dit gedrag was bedoeld om de waarde van afgedankte accu's die als schroot worden verkocht, te verminderen ten nadele van de verkopers van gebruikte accu's. Vooral batterijverzamelaars en schroothandelaren uit het mkb waren het slachtoffer van dit kartel.

Dit – nog niet gepubliceerde – besluit is interessant mede omdat de ACM het standpunt huldigt dat gezamenlijke inkoop mededingingsrechtelijk in beginsel niet bezwaarlijk is omdat de consument daarvan (doorgaans) profiteert. Het besluit van de Commissie is nog niet gepubliceerd, maar de
motivering ervan zal interessant zijn. Het is in ieder geval duidelijk dat de Europese Commissie heimelijke afstemming van inkoopprijzen niet toestaat. 

ACM: minimumuurtarief voor zzp’ers in cao’s vallen onder kartelverbod

HDe Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft een leidraad gepubliceerd over concurrentieregels voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers).

Één van de denkbare maatregelen om uitbuiting van zzp’ers door opdrachtgevers te voorkomen, is om in cao-afspraken een minimumuurtarief op te nemen.
De ACM concludeert dat een dergelijk minimumuurtarief in strijd is met de Mededingingswet. Minimumuurtarieven leiden tot beperking van de concurrentie waardoor deze afspraken onder het kartelverbod kunnen vallen.

Voor prijsafspraken over loon voor werknemers in cao’s bestaat de cao-uitzondering van artikel 16 Mededingingswet. De ACM meldt in haar leidraad dat zzp’ers in eenzelfde werksituatie kunnen verkeren als werknemers, de ‘schijnzelfstandigen’. Zij zijn niet te vergelijken met echte ondernemers aangezien zij minder vrijheid in hun werk hebben dan ‘echte’ zzp’ers. De cao-uitzondering is dan ook van toepassing op deze ‘schijnzelfstandigen’. Dit standpunt van de ACM is in lijn met Europese Hof in een uitspraak over invalkrachten bij orkesten (zaak C-413/13, FNV Kunsten Informatie en Media).
Het is echter in veel gevallen niet eenvoudig om vast te stellen of sprake is van “schijnzelfstandigen”. ACM noemt in haar leidraad een drietal relevante kenmerken.
  1. Gezagsverhouding: een zzp’er staat niet onder gezag van zijn opdrachtgevers;
  2. Risico’s: een zzp’er draagt de financiële en commerciële risico’s van zijn werk;
  3. Zelfstandigheid: een zzp’er neemt zelfstandig deel aan het economisch verkeer.
De ACM doet voorts suggesties aan cao-partijen om te voorkomen dat er in cao’s verboden afspraken komen te staan.


Aanbesteding

Zelf doen of uitbesteden?

Een overheid kan bij het uitvoeren van haar taken kiezen voor:
  • zelf doen
  • publieke samenwerking
  • laten doen door de markt
Dit wordt ook wel ‘make or buy’ genoemd. De soms gehoorde stelling dat de overheid verplicht is tot aanbesteding als de markt in de taken kan voorzien is niet juist. De EU-Verdragen noch de aanbestedingsrichtlijnen verplichten de overheid om een beroep te doen op de markt. Het Hof van Justitie bevestigde in het Remondis-arrest dat de overheid vrij in haar keuze is.

In dit arrest wordt verder de vraag beantwoord of het de overheid vrij staat om taken te laten uitvoeren door een joint venture die door meerdere overheidslichamen is opgericht. Uit dit arrest blijkt dat duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen twee situaties:
  1. Er is sprake van een overdracht of toewijzing van bevoegdheden naar de joint venture. Oftewel: taken/verantwoordelijkheden die toebehoorden aan de overheid worden toegekend aan de joint venture. De joint venture krijgt hierover beslissingsautonomie en financiële autonomie. Dit is geen (aanbestedingsplichtige) overheidsopdracht. De overheid is vrij om bevoegdheden te herverdelen.
  2. De overheid behoudt de taak/bevoegdheid, maar laat de uitvoering van de taak/bevoegdheid verrichten door de joint venture. Dit is een overheidsopdracht. Er geldt geen aanbestedingsplicht als voldaan wordt aan de voorwaarden voor quasi-inbesteding (zie artikel 2.24b Aanbestedingswet 2012). 

Maximering aantal te verkrijgen percelen

Een aanbestedende dienst kan ervoor kiezen om een opdracht in percelen op de markt te zetten.

In dat geval moet hij in de aankondiging vermelden of ondernemingen verplicht zijn om op alle percelen in te schrijven of ook kunnen inschrijven op slechts één of enkele van de percelen.

In dat laatste geval kan een aanbestedende dienst ervoor kiezen om het aantal aan één inschrijver te gunnen percelen te beperken (zie artikel 2.10 Aanbestedingswet 2012). Dit is géén vrije keuze. Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat dit alleen kan als de aanbestedende dienst hiertoe een gegronde reden heeft. Bijvoorbeeld om de concurrentie te bevorderen of om betrouwbare levering veilig te stellen. Immers, door te beperken kan het voorkomen dat niet wordt gegund aan de onderneming die de beste kwaliteit tegen de beste prijs kan leveren, wat in strijd is met het uitgangspunt dat is neergelegd in artikel 1.4 lid 2 Aanbestedingswet 2012. De voordelen van beperken moeten dus opwegen tegen dit nadeel van beperken.

Beperken kan op twee wijzen:
  1. Maximering van het aantal percelen waarop een onderneming een inschrijving kan indienen;
  2. Maximering van het aantal percelen dat een onderneming gegund krijgt. In dat geval kan de onderneming dus wel op alle percelen inschrijven. In de aanbestedingsstukken moet staan op welke wijze de aanbestedende dienst de percelen toekent in het geval de onderneming op meer percelen dan het genoemde aantal de beste inschrijving heeft ingediend.
De maximering ziet op het niveau van de ‘onderneming’ (d.w.z. de entiteit die is ingeschreven in het handelsregister). De Aanbestedingswet 2012 voorziet niet in de mogelijkheid van maximering op concernniveau.

Een concern kan deze beperkingen dus omzeilen door op de verschillende percelen met verschillende ondernemingen in te schrijven. Als de verschillende ondernemingen vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt worden gezien als één onderneming, dan mogen deze ondernemingen zowel de inhoud van hun inschrijving afstemmen, als op welk perceel wordt ingeschreven. Dit blijkt uit een niet gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 januari 2017.

Verschillende ondernemingen die tot één concern behoren mogen enkel op hetzelfde perceel inschrijven als zij kunnen aantonen dat hun inschrijvingen onafhankelijk van elkaar tot stand zijn gekomen. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, die overigens overweegt dat ook het inschrijven op verschillende percelen niet mag worden afgestemd. Hoe de onafhankelijkheid aangetoond kan worden staat in Nieuwsbrief 26.

Relatieve beoordelingsmethode mag

In de praktijk doet zich met enige regelmaat de vraag voor of een relatieve beoordelingsmethode gehanteerd mag worden bij het beoordelen van inschrijvingen. Het antwoord is: ‘ja, dit mag’. Dit bleek al uit een uitspraak van de Hoge Raad, maar is recent nogmaals bevestigd door de Rechtbank Rotterdam.

Een relatieve beoordelingssystematiek die op een dusdanige wijze is ingericht of toegepast dat zij mede in verband met haar relatieve karakter in strijd komt met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie is evenwel niet toelaatbaar. Gedacht kan worden aan de systematiek waarbij de gemiddelde prijs het beste scoort, of waarbij de een na laagste prijs het beste scoort. Een dergelijke systematiek is echter evenmin toelaatbaar als absolute beoordelingssystematiek.

Het kan zo zijn dat de inschrijving van een inschrijver na voorlopige gunning toch ongeldig blijkt te zijn. In dat geval doet zich de vraag voor of de beoordeling opnieuw moet, of dat er teruggevallen kan worden op de als tweede in de rangorde geëindigde inschrijver. Het antwoord is: ‘de beoordeling moet opnieuw’.

Dit is enkel anders als in de aanbestedingsstukken uitdrukkelijk staat dat teruggevallen wordt op de nummer twee (ook al zou deze na herbeoordeling niet als eerste eindigen). Een dergelijke bepaling is naar onze mening evenwel in strijd met artikel 1.4 lid 2 Aanbestedingswet 2012, dat inhoudt dat de aanbestedende dienst de beste kwaliteit voor de beste prijs moet inkopen.

Aanbesteding jeugdzorg moet opnieuw wegens gebrek aan informatie en disproportionele contractsvoorwaarden

Recent oordeelde het gerechtshof Den Haag in een uitspraak over een aanbesteding voor integrale jeugdzorg dat deze opnieuw moest omdat (i) de gemeenten te weinig informatie hebben verschaft om een goede inschrijving te kunnen indienen en (ii) de risicoverdeling in het contract disproportioneel was.

Ad (i) Gebrek aan informatie
De gemeenten hebben enkel geaggregeerde gegevens aangeleverd. Er is geen detailinformatie verschaft met betrekking tot de vorm van de zorg, de gebruiksduur en de kosten per behandeling (aantallen en aard van de zorg die thans in de gemeenten wordt verleend en de vraag naar het aantal cliënten op de wachtlijsten en wat voor soort zorg zij nodig hebben ontbreken).

De geaggregeerde informatie is volgens het Hof niet voldoende, gelet op de taak waarvoor de gemeenten de inschrijvers stelt (te weten: verandering in de organisatie van de jeugdzorg door een efficiëntere manier van werken, waardoor (grote) besparingen worden bewerkstelligd).

N.B. Van belang is dat er meermaals vragen zijn gesteld over het gebrek aan informatie. Zou dit niet zijn gedaan, dan is de kans groot dat het Hof zou hebben geoordeeld dat het Consortium haar rechten had verwerkt.

Ad (ii) Risicoverdeling
Tegen vaststaand budget moet aan alle zorgvragen worden voldaan zonder een wachtlijst te laten ontstaan. De gemeenten hebben een plafondbudget vastgesteld, dat aanzienlijk lager is dan het voor 2016 geldende budget. Het ontbreken van een budgetplafond achtten de gemeenten ongewenst.

Er is evenwel een reële kans dat de beschikbaar gestelde plafondbudgetten onvoldoende groot zullen zijn, en de opdrachtnemer zal worden geconfronteerd met een voor zijn rekening blijvende overschrijding van de budgetplafonds. Een daarbij passende allocatie van de risico’s ligt volgens het hof voor de hand. Zeker gelet op het feit dat inschrijvers niet kunnen beschikken over de detailinformatie.

Er moet volgens het hof worden voorzien in een ‘veiligheidsventiel’ waarmee op voorhand duidelijkheid wordt gecreëerd over de vraag hoe in voorkomend geval wordt omgegaan met een niet aan de opdrachtnemer [per abuis staat ‘opdrachtgever’ in het arrest] te wijten overschrijding van het budget. Enkel de voorziening ‘dan gaan we in gesprek’ is niet voldoende, zeker nu dit kan leiden tot wezenlijke wijziging van de opdracht (wat weer dient te leiden tot heraanbesteding).

Het hof acht het overigens niet disproportioneel om de aansprakelijkheid bij opzet of grove schuld niet te beperken. Het hof acht het daarentegen wel disproportioneel om de aansprakelijkheid die verband houdt met aanspraken van derden niet te beperken, aangezien het bij de uitvoering van de onderhavige opdracht veelal zal gaan om aanspraken van derden.

Onder welke omstandigheden is intrekking en heraanbesteding toegestaan?

In de praktijk doet zich met enige regelmaat de vraag voor of een aanbestedende dienst een aanbesteding (na inschrijving) mag intrekken. Het antwoord daarop is: ‘ja, dit mag’. Een aanbestedende dienst is niet verplicht om een opdracht te gunnen.

Maar als de aanbestedende dienst na intrekking de opdracht opnieuw wenst aan te besteden, dan is dit niet zonder meer toegestaan. Dit mag enkel als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
  1. De aanbestedende dienst wenst de opdracht zelf wezenlijk te wijzigen. Bijvoorbeeld omdat de behoeften van de aanbestedende dienst zijn gewijzigd, of omdat het concurrentieniveau te laag was (oftewel: er zijn te weinig inschrijvingen ontvangen).
  2. De initiële aanbesteding bevat aanbestedingsrechtelijke/procedurele fouten, die niet meer binnen de aanbesteding hersteld kunnen worden.

Zie hieromtrent een recente uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, en iets oudere uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Rechtbank Overijssel en Rechtbank Noord-Nederland.

Wat moet er in een goede afwijzingsbrief staan?

In de praktijk zien wij nogal eens afwijzingsbrieven waarin het nodige ontbreekt.

Een goede afwijzingsbrief bevat de volgende elementen:
  1. De volledige juridische naam van de beoogde winnaar(s);
  2. Per wens/gunningscriterium: de scores van de beoogde winnaar(s) en de scores van de afgewezen inschrijver;
  3. Per wens/gunningscriterium: de redenen waarom de inschrijving van de afgewezen inschrijver niet de maximale score heeft behaald (in geval van een absolute beoordelingsmethode) c.q. waarom deze minder heeft gescoord dan die van de beoogde winnaar (in geval van een relatieve beoordelingsmethode);
  4. De datum waarop de bezwaartermijn afloopt;
  5. De bevoegde rechtbank.

Ontbreken onderdelen 2 en 3, dan heeft dit tot gevolg dat de bezwaartermijn nog niet begint te lopen. Daarnaast kan dit tot gevolg hebben dat de beoordeling opnieuw moet, zoals blijkt uit een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland.

Welke spelregels gelden bij vrijwillige en private aanbestedingen?

Voor de verkoop van publiek vastgoed worden regelmatig openbare verkoopprocedures georganiseerd. Zie bijvoorbeeld een tweetal uitspraken van de Rechtbank Amsterdam (uitspraak 1 en uitspraak 2).
Ook zien we dat private ondernemingen en andere organisaties die op zich niet verplicht zijn tot aanbesteding (denk aan zorgverzekeraars en algemene ziekenhuizen) hun opdrachten vergeven op een wijze die sterk lijkt op een ‘echte’ aanbesteding. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag en Rechtbank Midden-Nederland.
Op dergelijke procedures is de Aanbestedingswet 2012 niet van toepassing. Welke spelregels gelden er dan wel?

Toepasselijkheid gelijkheids- en transparantiebeginsel afhankelijk van gewekte verwachtingen
Een gemeente die bijvoorbeeld vastgoed wil verkopen moet zich houden aan de door haar zelf binnen het kader van de verkoopprocedure opgestelde regels en, B&W als zijnde bestuursorgaan, aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De wijze waarop een gemeente die regels heeft toegepast, kan door de rechter worden getoetst. Ook de eisen van redelijkheid en billijkheid van de precontractuele fase spelen een (aanvullende) rol. Verder moet een overheid ervoor zorgen dat er marktconforme prijzen worden berekend om staatssteun te voorkomen.
Een private onderneming en een andere organisatie, die geen aanbestedende dienst is, en die een procedure organiseert die de kenmerken van een aanbestedingsprocedure vertoont, moet zich uiteraard ook houden aan de door haar zelf gestelde regels. Verder kan die onderneming/organisatie gebonden zijn aan de algemene aanbestedingsrechtelijke beginselen, met name het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel. Dat is dan niet via het (Europese) aanbestedingsrecht, maar via de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de precontractuele fase beheersen. Gebondenheid aan het gelijkheids- en transparantiebeginsel bestaat als de onderneming/organisatie bij de (potentiële) aanbieders de verwachting heeft gewekt dat die beginselen op de aanbesteding van toepassing zijn. Of die verwachting in een concreet geval is gewekt, hangt af van de aanbestedingsvoorwaarden en de overige omstandigheden van het geval, zoals de hoedanigheid van de betrokken partijen (denk aan: grote internationaal opererende onderneming tegenover een eenmansbedrijf). Uit de contractsvrijheid vloeit voort dat het partijen in een aanbesteding door een private (rechts)persoon in beginsel vrijstaat om in de aanbestedingsvoorwaarden de toepasselijkheid van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel uit te sluiten. Maar het beroep op zo’n uitsluiting kan in verband met de bijzondere omstandigheden van het betrokken geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

In deze zin sprak de Hoge Raad zich uit toen het ging om de aanbesteding van een schoonmaakcontract van de KLM.

Recent haalde de Rechtbank Midden-Nederland dit arrest van de Hoge Raad aan in een zaak, waarin het ging om de verkoop van grond en de realisatie van woningen. Volgens de rechtbank waren het gelijkheids- en het transparantiebeginsel van toepassing in een private aanbesteding van een samenwerkingsverband van de gemeente Utrecht en een aantal marktpartijen omdat de gevoerde procedure de kenmerken had van een meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure. Dat bleek in dit geval uit:
  • de uitnodiging tot inschrijving van twee partijen;
  • het ging niet alleen om verkoop van grond maar ook om het ontwerpen van te bouwen woningen;
  • er waren minimumeisen gesteld aan het schetsontwerp;
  • er was sprake van een gedetailleerde beoordelingssystematiek;
  • er werd proces-verbaal opgesteld van de opening van de inschrijvingen, zoals gebruikelijk bij aanbestedingen;
  • er werd eerst een voorlopige gunningsbeslissing genomen;
  • de procedure werd als ‘tender’ en ‘aanbesteding’ aangeduid.
De rechtbank liet uitdrukkelijk in het midden of het private samenwerkingsverband als aanbestedende dienst in de zin van de Aanbestedingswet moest worden beschouwd. Het samenwerkingsverband werd, kort gezegd, veroordeeld om de procedure, waaraan fundamentele gebreken kleefden, over te doen. Inschrijvers konden namelijk het karakter van de opdrachtspecificaties verschillend hebben begrepen. Daardoor hadden zij niet de mogelijkheid gehad om op gelijke voorwaarden hun inschrijving te doen.

Vergelijkbare, beperkte mogelijkheid voor rechterlijk ingrijpen na contractsluiting bij niet door de Aanbestedingswet 2012 gereguleerde procedures
De gemeente Voorschoten volgde een openbare verkoopprocedure voor de verkoop en herontwikkeling van een gymzaal. Daarop was de Aanbestedingswet 2012 niet van toepassing. Het gerechtshof Den Haag kreeg de vraag te beantwoorden of het nog kon ingrijpen in de reeds gesloten koop/realisatieovereenkomst en op welke gronden dat zou kunnen gebeuren. Het hof is van oordeel dat de verkoopprocedure zoveel relevante overeenkomsten vertoont met een aanbestedingsprocedure dat het gerechtvaardigd is om voor de beoordeling van de vraag of in een reeds gesloten overeenkomst moet worden ingegrepen een vergelijkbaar kader te hanteren als de Hoge Raad doet voor situaties waarin de Aanbestedingswet 2012 wel van toepassing is. De Hoge Raad bepaalde eerder dat de als resultaat van de gunningsbeslissing tot stand gekomen overeenkomst wegens strijd met aanbestedingsregels slechts aantastbaar is op de gronden vermeld in art. 4.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012, en in andere gevallen slechts in het geval van wilsgebreken en in het geval van nietigheid of vernietigbaarheid ingevolge art. 3:40 BW. Het Haagse hof hanteert vervolgens ook in de zaak van de gemeente Voorschoten, waarin het dus gaat om een openbare verkoopprocedure waarin de Aanbestedingswet 2012 niet van toepassing is, het uitgangspunt dat het slechts zal ingrijpen in de reeds gesloten overeenkomst indien aannemelijk is dat deze gesloten overeenkomst voor de bodemrechter aantastbaar is op grond van wilsgebreken en in het geval van nietigheid of vernietigbaarheid ingevolge art. 3:40 BW. Die gronden deden zich niet voor.

 

Staatssteun

Minister van Defensie op vingers getikt door de ACM wegens oneerlijke concurrentie


De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft in haar besluit van 20 februari 2017 verklaard dat de Minister van Defensie vanaf 1 juli 2014 tot 1 juni 2016 artikel 25j, eerste lid, Mededingingswet heeft overtreden door het salaris van de directeur van overheidsbedrijf Stichting Marine Cantine Dienst (Marcandi) te betalen en de integrale kosten hiervan niet aan Marcandi door te berekenen. Marcandi leverde food en non-food producten aan afnemers binnen en buiten Defensie. Het besluit is genomen naar aanleiding van een klacht die was ingediend door een in Den Helder gevestigde concurrerende groothandel die meende dat Marcandi door de Minister werd bevoordeeld.

In het besluit geeft de ACM een nadere uitleg aan de reikwijdte van de Wet Markt en Overheid op dienstverlening van overheidsbedrijven aan overheden. Ten eerste stelt de ACM vast dat Marcandi een overheidsbedrijf is aangezien zij een onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid is waarvan een publiekrechtelijke rechtspersoon, in dit geval de Staat der Nederlanden, in staat is het beleid te bepalen. Een publiekrechtelijke rechtspersoon is onder andere in staat het beleid te bepalen als de publiekrechtelijke rechtspersoon meer dan de helft van de leden van het bestuur benoemt. Ten tweede stelt de ACM vast dat Marcandi economische activiteiten verricht voor zover zij, in concurrentie met andere ondernemingen op de markt, goederen levert aan afnemers buiten Defensie. De ACM is van oordeel dat Marcandi met het aanbieden van goederen aan afnemers binnen Defensie geen economische activiteit verricht. Bij deze afnemersgroep gaat het namelijk om de operationele eenheden van Defensie. Dit zijn de schepen en eenheden die op militaire oefening zijn in binnen- en buitenland en de kazernes in binnen- en buitenland. Marcandi maakt deel uit van Defensie. Voor zover Marcandi producten levert aan deze afnemersgroep, is daarom sprake van een vorm van inbesteding. Tot slot was er ook sprake van bevoordeling van de economische activiteiten van Marcandi aangezien het salaris van de directeur van volledig door Defensie werd betaald en de integrale kosten hiervan niet aan Marcandi werden doorberekent.

De Minister heeft de bevoordeling inmiddels beëindigd, door te besluiten de dienstverlening van Marcandi aan derden te staken.

Kennis delen

Inhouse cursus Mededinging, Aanbesteding en Staatssteun op maat

Maasdam Broers Fischer advocaten verzorgt op maat gesneden en praktijkgerichte, inhouse (compliance)trainingen en workshops. Maasdam Broers Fischer advocaten voert tevens audits uit ter waarborging van de mededingingsregels binnen uw organisatie. Indien u dit wenst, kunnen wij een scan uitvoeren op de aanbestedingsdocumenten op aanbestedingsrechtelijke onrechtmatigheden, onregelmatigheden en onduidelijkheden.

Lezingen

  • 13 maart 2017: VU Law Aanbestedingsrecht voor juristen, college 3 (wanneer is sprake van een aanbestedingsplichtige opdracht) (Anke)
  • 20 maart 2017: Beroepsopleiding Octrooigemachtigden- Europees Recht en Mededingingsrecht (Rob)
  • 21 maart 2017: Eerste Jaarcongres Ontwikkelingen Aanbestedingsrecht, bijdrage onderdeel Aanbestedingspraktijk (Anne)
  • 22 maart 2017: VU Law Aanbestedingsrecht voor inkopers, college 3 (wanneer is sprake van een aanbestedingsplichtige opdracht) (Anke)
  • 9 mei 2017: Academie voor de Rechtspraktijk, webinar Verschillende aanbestedingsprocedures (Anne)
  • 30 mei 2017: Academie voor de Rechtspraktijk, leergang Aanbestedingsrecht, Verschillende aanbestedingsprocedures (Anne)
  • 12 juni 2017: VU Law Aanbestedingsrecht voor juristen, college staatssteun en mededinging (Yvonne)
  • 15 juni 2017: UvA, cursus Actualiteiten aanbestedingsrecht  (Anke en Anne)
  • 6 november 2017: UvA, cursus Succesvol inschrijven op (Europese) aanbestedingen (Anke en Anne)

Publicaties

  • Ars Aequi Wetseditie, Aanbestedingsrecht, 2016/2018 (Anke)
  • Jurisprudentie Aanbestedingsrecht, <<JAAN 2017/2>>, Het proportionaliteitsbeginsel en de beginselen van gelijke behandeling en transparantie blijven om voorrang strijden, annotatie bij HvJ EU 14 december 2016, C-171/15 (Anne)
Lees de tot heden verschenen artikelen integraal op deze website.

Meer informatie

Anke Stellingwerff Beintema: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 - 532 406 76
Anne Fischer-Braams: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 – 532 431 68 
Pascal Broers: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 182 456 98
Yvonne Maasdam: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 245 949 27
Rob Ludding: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 – 518 235 94

Colofon

Uitgave: één keer per twee maanden
Kosten: geen
Aanmelden: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. o.v.v. naam, functie en contactgegevens of online.
Volg ons voor actuele informatie ook op Twitter: twitter.com/mbfadvocaten

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden Maasdam Broers Fischer advocaten en alle andere entiteiten, samenwerkingsverbanden, personen en praktijken die handelen onder de naam 'Maasdam Broers Fischer advocaten', geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene informatie en kan niet worden beschouwd als advies.

Naar overzicht digitale nieuwsbrieven

Inschrijven nieuwsbrief

captcha