Go To Top
Direct naar nieuwsberichten over:

 

Mededinging

Garnalen met een luchtje: klikken en heimelijk afluisteren door het Gerecht beloond

Gerecht 8 september 2016, T-54/14, Goldfish B.V. en anderen/Europese Commissie (ECLI:EU:T:2016:455)

Deze zaak is het Europese vervolg van de "garnalenzaak" die de NMa bij beschikking van 14 januari 2003 reeds beboette. Net als de Nederlandse zaak betrof het kartelgedrag in essentie prijsafspraken en het verdelen van volumina tussen een aantal ondernemingen actief in de Noordzeegarnalenindustrie, dit keer over de periode 2000-2009.
De boetebeschikking van de Commissie is gedateerd 27 november 2013 en treft naast Goldfish B.V. en een aantal met haar verbonden groepsmaatschappijen (hierna ook: Heiploeg) de (kleinere) ondernemingen Stührk en Kok. Klaas Puul B.V. – de belangrijkste concurrent van Heiploeg – heeft de zaak bij de Commissie aangebracht (“clementieverzoek”) en geniet daarom volledige immuniteit en boetevrijdom. Alleen Heiploeg gaat van het boetebesluit in beroep bij het Gerecht.

Het arrest is om drie redenen van belang:

  1. Wij zien hier een bedenkelijk effect van de clementieregeling zoals die binnen de EU en ook in Nederland in de praktijk functioneert: een van de grote spelers in een kartel besluit de zaak “op te blazen” op een moment dat hem dat goed uitkomt. Vaak is dat moment aangebroken wanneer het kartel niet (meer) optimaal functioneert en de risico’s (ontdekking en boetes) de voordelen gaan overtreffen. De klikkende onderneming heeft dan de gelegenheid haar concurrenten grote schade toe te brengen, terwijl zij zelf boetevrijdom geniet. Op deze manier kan zij haar concurrentiepositie voor de toekomst versterken. Of deze gang van zaken uiteindelijk in het belang van de afnemers en de consument is, valt bepaald te betwijfelen. Een oordeel over het morele gehalte van deze door de toezichthouders sterk gestimuleerde praktijk – waarbij de clementieverzoekende onderneming bovendien verplicht wordt als mol intensief met de toezichthouder samen te werken totdat deze het bewijs van het kartel volledig rond heeft – laten wij terzijde.
  2. Het Gerecht acht het toelaatbaar dat de Europese Commissie voor haar bewijs gebruik maakt van heimelijk door een medewerker van een andere bij het kartel betrokken onderneming (niet clementieverzoekster Puul) gemaakte opnamen en schriftelijke verslaglegging van telefoongesprekken tussen Heiploeg en deze onderneming. De motivering van het Gerecht komt er in de kern op neer, dat de Commissie de betrokken opnamen en registraties rechtmatig – namelijk gedurende een bedrijfsonderzoek bij Heiploeg – heeft verkregen (zodat de ontvankelijkheid ervan niet ter discussie staat), terwijl de grondrechten (het recht op een eerlijk proces, art. 6 EVRM) niet de toelaatbaarheid van bewijs als zodanig regelen, maar die toelaatbaarheid laten afhangen van de vraag of het gebruik tot een oneerlijk proces of tot schending van de rechten van de verdediging leidt. Het Gerecht voert die toets uit en concludeert dat dit niet het geval is, in essentie omdat de opnamen niet het enige bewijs van de inbreuk vormden. 
    Hoe men hier verder over denkt, het is voor de praktijk van belang zich te realiseren dat telefoongesprekken kunnen worden opgenomen en als volledig bewijs kunnen dienen, wanneer althans enig steunbewijs – schriftelijk of in de vorm van een mondelinge verklaring – aanwezig is.
  3. Een verzoek om boetevermindering wegens financiële problemen wordt zelden gehonoreerd.
In deze zaak had Heiploeg aangevoerd dat de opgelegde boete - € 27 miljoen – waarschijnlijk haar faillissement zou betekenen.
De Commissie heeft dat verzoek naar het oordeel van het Gerecht mogen afwijzen. De Richtsnoeren voor boetetoemeting bepalen dat een verlaging van de volgens deze Richtsnoeren vast te stellen boete slechts aan de orde kan komen wanneer die boete “de levensvatbaarheid van de onderneming onherroepelijk in gevaar brengt en haar activa volledig van haar waarde zou beroven”. Er moet daarnaast sprake zijn van een “bijzondere sociale en economische context”. Bij een dreigend faillissement is dat niet noodzakelijk het geval, omdat dit – aldus het Gerecht – wel afbreuk doet aan de belangen van eigenaren of aandeelhouders – andere belanghebbenden zoals werknemers en crediteuren noemt het Gerecht niet – maar dat dit nog niet betekent “dat de personele, materiele en immateriële componenten van de onderneming ook hun waarde zouden verliezen”. Het Gerecht denkt daarbij, zo blijkt uit verdere overwegingen, met name aan doorstart of overname. Probleem is echter dat deze mogelijkheden zich doorgaans pas openbaren ruim nadat de boete is opgelegd en de problemen zijn ontstaan.
Het moge duidelijk zijn dat een beroep op financiële problemen ter afweer van een (deel van) kartelboetes vrijwel nooit succesvol is.

Aanbesteding

Nieuwe Rijksinkoopvoorwaarden 2016

Het Rijk heeft op 24 september 2016 de navolgende inkoopvoorwaarden vastgesteld:

  1. Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2016 (ARBIT-2016),
  2. Algemene Rijksinkoopvoorwaarden 2016 (ARIV-2016)
  3. Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten 2016 (ARVODI-2016).
Deze zijn vanaf 4 oktober 2016 van kracht. 

Begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ verduidelijkt

Op 6 oktober 2016 verduidelijkte het Hof van Justitie in de zaak Tecnoedi Costruzioni het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’:

  1. Het Hof van Justitie herhaalt dat dit moet worden vastgesteld aan de hand van alle relevante criteria, zoals het economisch belang van de opdracht, de plaats waar de opdracht wordt uitgevoerd en de technische aspecten ervan, waarbij dient te worden gelet op de specifieke kenmerken van de opdracht. Het Hof van Justitie herhaalt dat in die context tevens rekening kan worden houden met het bestaan van klachten van in andere lidstaten gevestigde marktdeelnemers, mits wordt nagegaan of het werkelijke klachten en geen schijnklachten betreft.
  2. Het Hof van Justitie verduidelijkt, dat op positieve wijze moet worden aangetoond, dat de opdracht in kwestie van duidelijk grensoverschrijdend belang is en dat dit moet blijken uit de beoordeling – in concreto – van de opdracht in kwestie. En dat louter hypothetische stellingen die aanwijzingen zouden kunnen opleveren geen voldoende bewijs opleveren.
  3. Tevens kan uit het arrest worden afgeleid, dat pas sprake is van duidelijk grensoverschrijdend belang als een buitenlandse onderneming bij een eventuele marktbevraging ook daadwerkelijk zou inschrijven op de betreffende opdracht.
Het gerechtshof Den Haag gaat in een later gewezen arrest JCDecaux/RET eveneens in op het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’. Het gerechtshof knoopt in feite enkel aan bij de waarde van – in dat geval - een concessieopdracht voor diensten en meent dat het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’ een abstract begrip is. Het gerechtshof voegt daar nog een (eigen) element aan toe, te weten dat (potentiële) buitenlandse belangstelling ook eruit kan bestaan dat ondernemingen uit andere lidstaten zich permanent in Nederland hebben gevestigd of Nederlandse ondernemingen hebben geacquireerd. Dit oordeel – evenals het oordeel ten aanzien van het begrip ‘publiekrechtelijke instelling’ in dat arrest - spoort ons inziens niet met de jurisprudentie van het Hof van Justitie (zie bijvoorbeeld hierna de zaak Promoimpresa) en verdient dan ook geen navolging.

Schaarse vergunningen moeten worden aanbesteed

Op 14 juli 2016 ging het Hof van Justitie in de zaak Promoimpresa in op de aanbestedingsplicht die geldt voor het verstrekken van schaarse vergunningen. Relevant in dit arrest is het volgende:

  1. Op concessies voor diensten is de Concessierichtlijn 2014/23 (geïmplementeerd in deel 2a Aanbestedingswet 2012) van toepassing.
  2. Op vergunningstelsels waarbij het aantal vergunningen noodzakelijkerwijs beperkt is door schaarste van de natuurlijke hulpbronnen (schaarse vergunningen) is de Dienstenrichtlijn 2006/123 van toepassing.
  3. Op ‘concessies/vergunningen’ die niet binnen de werkingssfeer van één van deze richtlijnen vallen is het EU-Werkingsverdrag van toepassing, mits deze van duidelijk grensoverschrijdend belang zijn;
  4. Van duidelijk grensoverschrijdend belang is sprake als een andere lidstaat gevestigde onderneming in de concessie/vergunning geïnteresseerd is;
  5. Kenmerkend aan een concessie voor diensten is dat een recht om een bepaalde dienst te exploiteren door een aanbesteder wordt overgedragen aan een concessiehouder, die in het kader van de gesloten overeenkomst over een bepaalde economische vrijheid beschikt om te bepalen hoe hij dit recht exploiteert en parallel sterk blootstaat aan de risico’s van de exploitatie. Dit in tegenstelling tot een overeenkomst (vergunning) die tot voorwerp heeft het recht van een ondernemer om bepaalde publieke domeinen of rijkdommen te exploiteren, naar publiek- of privaatrecht, zoals grond, waarbij de overheid slechts algemene voorwaarden voor het gebruik ervan vaststelt zonder bepaalde werken of diensten aan te besteden;
  6. De Dienstenrichtlijn verplicht ertoe dat schaarse vergunningen worden verleend op basis van een selectie uit gegadigden volgens een procedure die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking (in feite een ‘aanbestedingsplicht’). Ditzelfde geldt voor ‘concessies/vergunningen’ waarop het EU-Werkingsverdrag van toepassing is.
  7. Automatische verlenging van lopende vergunningen die niet als zodanig zijn verleend is hiermee in strijd.
  8. Wel kan per specifiek geval beoordeeld worden of sprake is van dwingende redenen van algemeen belang die afwijking van de ‘aanbestedingsplicht’ rechtvaardigen.
Op 2 november 2016 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, na op 25 mei 2016 over de materie te zijn geadviseerd door staatsraad advocaat-generaal Widdershoven, uitspraak in een zaak over een exploitatie- en aanwezigheidsvergunning voor een speelautomatenhal in de gemeente Vlaardingen. De Afdeling volgt de conclusie van Widdershoven dat in het Nederlandse recht een rechtsnorm geldt die ertoe strekt dat dat bij de verdeling van schaarse vergunningen potentiële gegadigden gelijke kansen moeten krijgen om in een transparante procedure mee te dingen naar zo’n vergunning. Die verplicht een gemeente ertoe een ‘passende mate van openbaarheid’ toe te passen bij het beschikbaar komen van de vergunning. Passend wordt geacht bekendmaking in een elektronisch overheidsblad of een website van de betrokken overheid. Ook moet de verdelingsprocedure (een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige formulering van de verdeelregels) tijdig bekend worden gemaakt en moet duidelijk zijn welke eisen aan de aanvragen zullen worden gesteld. In een gemeentelijke verordening mogen beperkingen worden gesteld aan de mededinging, maar die mag niet volledig worden uitgesloten. Een uitzondering op de bestuurlijke verplichting om bij de verdeling van schaarse vergunningen potentiële gegadigden op enigerlei wijze reële mededingingskansen te bieden, impliceert een beperking van het gelijkheidsbeginsel.

Voor zover de verplichting voortvloeit uit het Unierecht is een beperking alleen mogelijk als zij in voldoende mate wordt gerechtvaardigd door een ‘dringende reden van algemeen belang’. In zuiver nationale zaken kan de verplichting om mededingingsruimte te garanderen worden beperkt door of afstuiten op het formeel-wettelijke kader van de vergunning zelf of door dat van andere vergunningen die voor de te vergunnen activiteit nodig zijn, denk aan beperkingen op grond van de ruimtelijke wetgeving bij locatiegebonden activiteiten. Verder moeten de beperkingen in voldoende mate kunnen worden gerechtvaardigd door een algemeen belang of bescherming van rechten van andere burgers, bijvoorbeeld door de contractsvrijheid van de eigenaar van een locatie als het om een locatiegebonden activiteit gaat. Ook als bij voorbaat vaststaat dat slechts één aanvraag aan de verdelingscriteria voldoet (uniciteit), kan een uitzondering op de verplichting worden gemaakt. Schaarse vergunningen mogen in beginsel niet voor onbepaalde tijd worden verleend. Dat geldt zeker voor schaarse vergunningen voor een economische activiteit.

De Afdeling baseert de vereiste ‘passende mate van openbaarheid’ met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria op een in de context van de verdeling van schaarse publieke rechten te erkennen nationaal beginsel van transparantie en op de uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeiende transparantieverplichting. De procedure die verplicht is voor de verlening van schaarse vergunningen, met name vergunningen voor een economische activiteit, wordt daarmee tot een procedure die in hoge mate vergelijkbaar is met een aanbestedingsprocedure.

Alleen MKB kan beroep op clusterverbod doen

Artikel 1.5 Aanbestedingswet 2012 bevat het zogenaamde ‘clusterverbod’. Een aanbesteder handelt in strijd met het clusterverbod als voldaan wordt aan twee cumulatieve voorwaarden:
1. Er is sprake van twee (of meer) afzonderlijke opdrachten die zijn samengevoegd; én
2. 8De uitvoering van de in het clusterverbod opgenomen instructie om acht te slaan op de drie in artikel 1.5 lid 1 Aw2012 genoemde aspecten levert een resultaat op dat de beslissing tot samenvoeging niet kan dragen (in dat geval is sprake van onnodig samenvoegen).

Het doel van het clusterverbod is om de kansen van het MKB bij een aanbesteding te vergroten. Een onderneming die niet behoort tot het MKB heeft dan ook geen door artikel 1.5 Aanbestedingswet 2012 beschermd belang bij een beroep op het clusterverbod, zo oordeelde de rechtbank Amsterdam in de zaken die zijn aangespannen door CSU respectievelijk Douwe Egberts.

Of uw onderneming een MKB-onderneming is kunt u hier toetsen.

Onafhankelijkheid aantonen bij meerdere malen als concern inschrijven

Het is een aanbestedende dienst toegestaan om te verbieden dat van één concern meerdere ondernemingen inschrijven op dezelfde aanbesteding. Uitsluiting is evenwel niet toegestaan als de betreffende inschrijvers kunnen aantonen dat zij onafhankelijk hebben ingeschreven.

Uit een recente uitspraak van de Voorzieningenrechter te Den Haag blijkt dat - ondanks dat beide inschrijvers onderdeel uitmaakten van dezelfde holding en gevestigd waren op hetzelfde adres - sprake is van onafhankelijk inschrijven als de volgende ‘maatregelen’ zijn getroffen:
  • Aparte personele bezettingen;
  • Geheimhoudingsverklaringen in de arbeidsovereenkomsten;
  • Gescheiden delen van het pand;
  • Aparte beveiligde IT-omgevingen;
  • Aparte winst- en verliesrekeningen (en over en weer geen inzage in de winst- en verliesrekening van de ander).
Daarnaast blijkt uit het volgende dat er onafhankelijk was ingeschreven.
  • Inschrijvingen waren door andere personen ondertekend;
  • Een beroep is gedaan op andere referenties;
  • In het kader van de kwalitatieve beoordeling zijn andere stukken ingediend;
  • Er zijn andere tarieven ingediend.
Uit eerdere jurisprudentie bleek dat van onafhankelijkheid geen sprake is als zich één van de volgende omstandigheden voordoet:
  • Eén of meer personen zitten in beide rechtspersonen in de directie of het bestuur (meer informatie);
  • Een rechtspersoon doet in zijn inschrijving beroep op de technische bekwaamheden (referenties, certificaten e.d.) van de andere rechtspersoon die inschrijft. (meer informatie)

Onrealistische en abnormaal lage prijzen maken een inschrijving nog niet manipulatief

Het bestek in een aanbesteding voor schoon en onkruidvrij houden van verhardingen van de gemeente Katwijk bevatte een bevoegdheid voor de gemeente om abnormaal laag of onrealistisch lijkende inschrijvingen terzijde te leggen, maar gaf aan dat manipulatief biedgedrag zou leiden tot ongeldigheid. Manipulatief biedgedrag was gedefinieerd als het manipuleren van de beoordelingssystematiek doordat geen waarheidsgetrouwe opgave van realistische prijzen is gedaan. Omdat het begrip ‘realistische prijzen’ niet nader was gedefinieerd en de gemeente ook geen minimumprijs had voorgeschreven, was in dat geval het enkel hanteren van veronderstellenderwijs niet-realistische en abnormaal lage prijzen niet voldoende om te spreken van een manipulatieve inschrijving. In lijn met eerdere rechtspraak oordeelt het Haagse Gerechtshof in zijn arrest van 1 november 2016 dat een strategische inschrijving (waarmee wordt bedoeld dat inschrijvers hun biedingen op zodanige wijze inrichten dat zij daarmee zo veel mogelijk punten scoren) in beginsel is toegestaan, tenzij uit de aanbestedingsstukken blijkt dat dit ontoelaatbaar is, of wanneer een strategische inschrijving een grens overschrijdt en verwordt tot een manipulatieve of irreële inschrijving. Het Hof overweegt dat de grens van het toelaatbare niet in zijn algemeenheid te bepalen is, maar van geval tot geval zal moeten worden getrokken.

Maar wat is dan een manipulatieve inschrijving? Bij het manipuleren van de beoordelingssystematiek gaat het erom dat een inschrijver de opdracht naar zich toe weet te trekken door een inschrijving te doen die weliswaar aan de eisen voldoet, maar die een resultaat bewerkstelligt dat niet door de beoordelingssystematiek wordt beoogd. Dat kan het geval zijn:
- wanneer een inschrijving een vergelijking met andere inschrijvingen onmogelijk maakt en daardoor de mededinging belemmert;
- wanneer op voorhand vast staat dat een inschrijver het werk niet daadwerkelijk voor de aangeboden prijs zal kunnen uitvoeren en de kosten op een andere manier bij de aanbestedende dienst zal willen neerleggen.


Staatssteun

Nadeelcompensatie is geen steun

Gerecht 14 juli 2016, T-143/12, Bondsrepubliek Duitsland/Europese commissie
(ECLI:EU:T:2016:406)

Deze zaak gaat over het begrip “begunstiging” in het Europese staatssteunrecht (art.107, lid 1 VWEU).
Overheidssteun die bepaalde ondernemingen financieel boven anderen begunstigt is in beginsel niet toegestaan. In dit arrest beslist het Gerecht, dat van begunstiging- en dus van staatssteun- geen sprake is wanneer de overheidsmaatregel slechts een nadeel compenseert dat concurrenten van de betrokken onderneming niet hebben.

Deutsche Bundespost, door de Duitse staat in 1950 opgericht als een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid, belast met eigen (postale) taken en een bijbehorend budget, werd in 1989 omgevormd tot een volwaardige overheidsonderneming en nog weer later – in 1994 – tot Deutsche Post AG (DPAG) met de Bondsrepubliek als enig aandeelhouder, belast met de openbare dienstverplichting tot – kort gezegd – postbezorging van poststukken tot 20 kg.

Reeds bij de hervorming van 1989 werd Bundespost wettelijk belast met de verplichting de pensioenaanspraken van haar inmiddels gepensioneerde gewezen ambtenaren en hun ziektekosten volledig voor haar rekening te nemen. De Bondsrepubliek stond voor de volledige nakoming van deze verplichting garant en stortte bovendien rechtstreeks aanzienlijke bedragen in het pensioenfonds van deze gepensioneerde ambtenaren.
Naar het oordeel van UPS – een concurrent van DPAG – vormde deze garantstelling verboden staatssteun. Ook andere Europese postbedrijven dienden klachten bij de Europese Commissie in. Na diverse procedures bij de Europese Commissie, bij het Gerecht en bij het Hof van Justitie – alle over in essentie procedurele kwesties – heeft de Europese Commissie bij besluit van 25 januari 2012 vastgesteld – voor zover hier van belang – dat de bekostiging van de pensioenen met overheidsmiddelen niet – toegestane staatssteun vormde.
Dat oordeel onderschrijft het Gerecht niet. Een maatregel waarbij een lidstaat een onderneming die aanvankelijk wettelijk verplicht was om de ambtenaren van haar rechtsvoorgangster in dienst te houden, financieel compenseert, bevrijdt die onderneming van een structureel nadeel – de hoge kosten van een genereuze niet-marktconforme pensioenregeling - maar verlicht niet de lasten die normaal op het budget van de met de gesteunde onderneming concurrerende ondernemingen drukken, en is daarom geen steun. Aan de orde is, anders geformuleerd, nadeelcompensatie, geen bevoordeling. Cruciaal hierbij is uiteraard de vraag of het nadeel in kwestie gezegd kan worden wel of niet “normaal op het budget van concurrerende ondernemingen te drukken”. Het Gerecht vond van niet.

Onze compagnon Rob Ludding heeft de rechtsvoorgangsters van Post NL langdurig bijgestaan in geschillen met Deutsche Post die verband hielden met de liberalisering van de Europese postmarkt. Het hier besproken arrest moet als voorlopig sluitstuk ook in dat kader worden geplaatst.

Kennis delen

Inhouse cursus Mededinging, Aanbesteding en Staatssteun op maat

Maasdam Broers Fischer advocaten verzorgt op maat gesneden en praktijkgerichte, inhouse (compliance)trainingen en workshops. Maasdam Broers Fischer advocaten voert tevens audits uit ter waarborging van de mededingingsregels binnen uw organisatie. Indien u dit wenst, kunnen wij een scan uitvoeren op de aanbestedingsdocumenten op aanbestedingsrechtelijke onrechtmatigheden, onregelmatigheden en onduidelijkheden.

Lezingen

  • 24 november 2016: AvdR - Uitzending Leading Lawyers Aanbestedingsrecht (Anne)
  • 28 november 2016: VU Law Leergang aanbestedingsrecht voor juristen (college staatssteunrecht Yvonne)

Publicaties

  • Ars Aequi Wetseditie, Aanbestedingsrecht, 2016/2018 (Anke)
  • JAAN, nr. 4, signalering bij advies Commissie van Aanbestedingsexperts nr. 285 (motivering afwijking maximumduur) (Anke)
  • JAAN, noot bij Conclusie van de A-G inzake C-171/15 (ernstige beroepsfout) (Anne)
  • Tender Nieuwsbrief, nr. 5, De Zaak Partner Apelski (nadere voorwaarden beroep op een derde en herstel fout) (Anke)
Lees de tot heden verschenen artikelen integraal op deze website.

Meer informatie

Anke Stellingwerff Beintema: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 - 532 406 76
Anne Fischer-Braams: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 – 532 431 68 
Pascal Broers: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 182 456 98
Yvonne Maasdam: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 245 949 27
Rob Ludding: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 – 518 235 94

Colofon

Uitgave: één keer per twee maanden
Kosten: geen
Aanmelden: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. o.v.v. naam, functie en contactgegevens of online.
Volg ons voor actuele informatie ook op Twitter: twitter.com/mbfadvocaten

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden Maasdam Broers Fischer advocaten en alle andere entiteiten, samenwerkingsverbanden, personen en praktijken die handelen onder de naam 'Maasdam Broers Fischer advocaten', geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene informatie en kan niet worden beschouwd als advies.

Naar overzicht digitale nieuwsbrieven

Inschrijven nieuwsbrief

captcha