Go To Top
Direct naar nieuwsberichten over:

 

Mededinging

Hof van Justitie 21 juli 2016, C-542/14, VM Remonts en Ausma grupa/Konkurences padome (ECLI:EU:C:2016:578)

De conclusie die AG Wathelet op 3 december 2015 in deze zaak nam, hebben wij gesignaleerd in Nieuwsbrief 24. Voor de feiten verwijzen wij daarnaar. Inmiddels heeft het Hof van Justitie arrest gewezen en wees het ook – op 21 januari 2016 – arrest in de verwante zaak Eturas, die wij bespraken in Nieuwsbrief 22. Beide zaken betreffen in essentie de vraag onder welke omstandigheden een onderneming zelf aansprakelijk is voor handelingen die inbreuk maken op het mededingingsrecht, begaan door derden die de onderneming voor het verrichten van bepaalde diensten heeft ingeschakeld. Anders geformuleerd: wanneer maakt de onderneming zich schuldig aan deelname aan een tussen hem en de dienstverlener "onderling afgestemde feitelijke gedraging"?.

Wij signaleerden dat de advocaat-generaal ter voorkoming van zo’n aansprakelijkheid het treffen van een 3-tal preventieve maatregelen aanbeveelt. Het Hof neemt die – begrijpelijk – niet in deze vorm over, maar zijn oordeel sluit nauw aan bij die aanbevelingen. Het Hof zegt namelijk dat aansprakelijkheid ontstaat wanneer de in te schakelen onderneming in feite onder het gezag en/of onder het toezicht werkt van de opdrachtgever die van zijn diensten gebruik maakt en hij aldus bij de (wijze van) uitvoering over weinig of geen autonomie en flexibiliteit beschikt. Of zich deze situatie voordoet hangt in hoge mate van de feiten af. Men kan bijvoorbeeld denken aan (verkapte) arbeids- of agentuurrelaties. Wanneer deze situatie zich niet voordoet – de derde is in hoge mate onafhankelijk – zal de opdrachtgever aansprakelijk zijn in – grof aangeduid - 2 situaties:
  1. De opdrachtgever heeft – met inschakelen van de derde – willen bijdragen aan het tot stand brengen van een gemeenschappelijke doelstelling van meer ondernemingen en aldus het risico aanvaard dat die doelstelling concurrentiebeperkende elementen bevatte (ook al was dat op voorhand niet zeker of zelfs redelijkerwijs niet voorzienbaar).
  2. De opdrachtgever wist of had redelijkerwijs kunnen weten dat andere ondernemingen betrokken waren bij mededingingsbeperkend handelen waarmee ook de door haar ingeschakelde derde (mogelijk) bemoeienis had.
Buiten deze situaties is de opdrachtgever – niet wetende wat de derde feitelijk onderneemt – voor diens handelen mededingingsrechtelijk niet aansprakelijk. Dat is begrijpelijk omdat "het vermoeden van onschuld" als algemeen rechtsbeginsel en grondrecht natuurlijk overeind blijft.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 5 juli 2016, Beheer B.V. e.a. / Vastgoed B.V. (ECLI:NL:GHSHE:2016:2698)

Deze zaak gaat over winkelruimte in een winkelcentrum in Noord-Oost-Nederland. Beide partijen - Beheer is gelieerd aan Jumbo Supermarkten – zijn exploitanten van onroerend goed. In het winkelcentrum is in het aan Beheer toebehorend gedeelte een Jumbo supermarkt gevestigd. Begin jaren ’90 heeft Vastgoed het winkelcentrum uitgebreid. Partijen maakten toen technische afspraken over het onderling verbinden van het nieuwe met het oude gedeelte, waarbij Beheer om niet toestemde in het bouwen van enkele faciliteiten op haar grond ten behoeve van Vastgoed. Beheer stelde daarbij als voorwaarde dat in het nieuw te bouwen gedeelte gedurende 40 jaar geen "supermarkt" zou worden gevestigd, met kettingbeding. Nadat zich in het nieuwe gedeelte diverse winkels als huurder hadden gevestigd en ook weer waren vertrokken, ontstond leegstand, die volgens Vastgoed mede haar oorzaak vond in het langjarige verbod tot verhuur ten behoeve van de vestiging van een supermarkt. Vastgoed vordert bij de Rechtbank daarom nietigverklaring van het verbod dat strijdig zou zijn met art. 6, lid 1 Mededingingswet en niet voor een vrijstelling of een ontheffing op basis van art. 6, lid 3, Mededingingswet in aanmerking zou kunnen komen, met schadevergoeding. De Rechtbank wijst de vordering toe, in essentie met de motivering dat het verbod met zoveel woorden een beperking van de mededinging beoogt, daarom de strekking heeft de mededinging te beperken zodat niet meer behoeft te worden onderzocht welk daadwerkelijk effect dat verbod op de relevante markten heeft. Grote stappen, snel thuis.

Artikel 6, lid 1, Mededingingswet bepaalt dat "verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen (..) die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of op een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst".
Het is vaste rechtspraak dat wanneer een overeenkomst of afspraak tussen ondernemingen "de strekking heeft" de mededinging te beperken, niet meer behoeft te worden onderzocht – en de eisende partij ook niet behoeft te stellen en te bewijzen – in welke mate en op welke markten de mededinging precies wordt beperkt. De kernvraag is daarom wanneer precies sprake is van een "strekkingsbeding". Het Hof van Justitie EU heeft de afgelopen jaren een aantal uitspraken gedaan die - met een wisselende mate van duidelijkheid – deze vraag beantwoorden. Zij zijn deels in onze nieuwsbrieven besproken (de arresten Expedia (C-226/11) (Nieuwsbrief 12), het arrest Allianz (C-32/11), het arrest Groupement des cartes bancaires (C-67/13P) (Nieuwsbrief 14), het arrest ING Pensii (C-172/14) en het arrest Maxima Latvija (C-345/14) (Nieuwsbrief 21).

Met name dit laatste arrest, van 26 november 2015, trekt de touwen strak. Wil sprake zijn van een concurrentiebeperkende strekking van een overeenkomst dan moet die concurrentiebeperking zich – bijzondere omstandigheden daargelaten - manifesteren op de markt waarop de betrokken ondernemingen met elkaar concurreren en bovendien zodanig van aard zijn dat over de mededingingsbeperkende gevolgen geen twijfel kan bestaan. Het moet dan gaan om wat wel traditioneel kartelgedrag wordt genoemd: prijsafspraken, marktverdelingen, het uitwisselen van commerciële informatie en dergelijke.

In het hoger beroep zien we het Gerechtshof Den Bosch deze toets zorgvuldig uitvoeren. Het Hof stelt vast dat partijen enkel concurrenten zijn op de markt voor de huur en verhuur van onroerend goed bestemd voor winkelruimten, maar dat het beding op die markt – die zich territoriaal niet tot het betrokken winkelcentrum beperkt – naar zijn aard geen merkbaar effect kan sorteren. (Vastgoed had dit in de procedure ook niet gesteld; Vastgoed had gesteld dat het beding de concurrentie op de markt voor artikelen die door supermarkten worden verkocht, merkbaar beperkte).
Het Hof oordeelt voorts dat het beding geen traditionele kartelafspraak is. Daarmee is volgens het Hof geen sprake van een strekkingsbeding. Vastgoed had dus moeten stellen en bewijzen dat de afspraak op de betrokken onroerend goed markt (niettemin) een merkbaar concurrentiebeperkend gevolg had. Nu Vastgoed daartoe geen poging heeft ondernomen, worden haar vorderingen alsnog afgewezen.

Het Hof overweegt nog, dat het beding in theorie inderdaad ook tot enige beperking van de mededinging op supermarkt – detailhandelsniveau kan leiden. Het oordeelt dat Vastgoed de merkbaarheid van die beperking, gegeven de lokale omstandigheden, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij kan overigens de vraag gesteld worden – door Beheer in appel opgeworpen maar door het Hof onbeantwoord gelaten – of Vastgoed bij deze stelling wel een rechtens te beschermen belang heeft, nu zijzelf op die markt niet actief is.

Dit arrest is de eerste toepassing in Nederland van de beperkende interpretatie die het Hof van Justitie met name in het arrest Maxima Latvija aan het begrip "strekkingsbeding" geeft. Die beperking valt toe te juichen: te vaak werd de mededingingswet te hulp geroepen in situaties waarvoor die niet primair is bedoeld: een partij bij een overeenkomst een eenvoudige mogelijkheid geven om aan op enig moment knellende verplichtingen te ontsnappen.

Ons kantoor heeft Beheer in eerste aanleg en in appèl als behandelend advocaat bijgestaan.

Samenwerking tussen ziekenhuizen inzake complexe kankerzorg kan profiteren van vrijstelling kartelverbod

De ACM heeft op 25 augustus 2016 een informele zienswijze gepubliceerd waarin de ACM uitvoerig ingaat onder welke voorwaarden de samenwerking tussen drie ziekenhuizen op het gebied van complexe kankerzorg is toegestaan. Het betreft een beoogd samenwerkingsverband in de regio Utrecht tussen het Universitair Medisch Centrum Utrecht, het Meander Medisch Centrum Amersfoort en het St Antonius Ziekenhuis Utrecht/Nieuwegein. De ziekenhuizen willen graag intensief samenwerken bij de behandeling van enkele zeldzame tumoren. Het gaat om kankervormen zoals lever-, alvleesklier-, maag- en slokdarmkanker. Door de samenwerking kunnen chirurgen kennis en ervaring opdoen, zal de kwaliteit van de operaties verbeteren en wordt een breed palet aan complexe kankerzorg in de regio behouden. De ACM geeft hiermee een belangrijk voorbeeld op welke wijze zorginstellingen kunnen onderbouwen dat een samenwerkingsverband, dat in beginsel de mededinging beperkt, kan profiteren van de vrijstelling die is opgenomen in artikel 6 derde lid van de Mededingingswet ('self assessment’'). Kort gezegd ziet de ACM voldoende voordelen voor patiënten en verzekerden bij deze samenwerking die opwegen tegen de nadelige gevolgen van de samenwerking.
De ACM benadrukt dat zorginstellingen niet alleen kunnen volstaan met het onderbouwen van de voordelen van de samenwerking. Zij moeten ook de nadelige gevolgen in kaart brengen en onderbouwen dat de voordelen opwegen tegen de nadelen. Zo stelt de ACM vast dat de afspraak om de complexe oncologische chirurgie per tumorsoort in één ziekenhuis te concentreren tot een verdeling van het zorgaanbod leidt.
De ACM is echter van mening dat de voordelen van de samenwerking ten goede komen van de patiënten en de zorgverzekeraars die de zorg in het belang van hun verzekerde inkopen. De ACM meent dat partijen voldoende wetenschappelijke literatuur hebben aangereikt zodat aannemelijk is dat specialisatie van complexe oncologie tot een kwaliteitsverbetering voor patiënten leidt. De ACM heeft daarbij ook de standpunten van zorgverzekeraars en cliëntenraden meegenomen om zeker te stellen dat de voordelen daadwerkelijk worden doorgegeven aan de patiënten/verzekerden. Tot slot meent de ACM – na onderzoek te hebben gedaan naar de relevante product- en geografische markt die mogelijk bovenregionaal is voor complexe kankerzorg – dat er voldoende restconcurrentie overblijft.
De ACM concludeert dus dat het aannemelijk is dat de voordelen van deze samenwerking groter zijn dan de nadelen voor de mededinging en dat aan de voorwaarden voor een vrijstelling op grond van artikel 6 derde lid Mededingingswet is voldaan.
Uit deze informele zienswijze blijkt dat samenwerkingsverbanden tussen zorginstellingen die mededingingsbeperkend zijn, toch kunnen profiteren van de vrijstelling van het kartelverbod, maar dat dat wel een uitgebreid onderzoek vergt en goed onderbouwd moet worden.

Voor vragen kunt u contact opnemen met een van onze mededingingsadvocaten. Ons kantoor heeft ruime ervaring met het uitvoeren van een onderzoek naar de vrijstellingsbepaling van het kartelverbod.

Aanbesteding

Wezenlijke wijziging voorzienbaar in kader uitvoering overeenkomst: voorkomen is beter dan genezen!

In een belangrijke uitspraak van 7 september 2016 (HvJ EU 7 september 2016, Finn Frogne/Rigspolitiet ved Center for Beredskabskommunikation, C-549/14, ECLI:EU:C:2016:634)
oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie dat een schikking ter oplossing van uitvoeringsproblemen, die een wezenlijke wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst vormt, niet afdoet aan de verplichting een nieuwe aanbesteding uit te schrijven voor de wezenlijk gewijzigde opdracht.
De Deense staat (later CFB) had een aanbesteding uitgeschreven volgens de concurrentiegerichte dialoog voor de levering van een communicatiesysteem voor alle hulpdiensten, inclusief meerjarig onderhoud. De waarde van de opdracht bedroeg circa € 70 miljoen, waarvan circa € 40 miljoen voor de minimaal vereiste oplossing en het restant voor optionele leveringen en prestaties. De opdracht was gegund aan Terma. In de loop van de uitvoering rezen problemen bij de naleving van leveringstermijnen, terwijl zowel de aanbestedende dienst als Terma daarvoor de verantwoordelijkheid afwezen. Na onderhandelingen werden partijen het eens over een schikking die een beperking inhield tot de levering van een radiocommunicatiesysteem voor de regionale politiekorpsen met een waarde van ongeveer € 5 miljoen. Daarnaast zou CFB twee centrale servergroepen met een waarde van ongeveer € 7 miljoen huren van Terma in plaats van kopen. Alvorens de schikking met Terma definitief te maken, publiceerde de aanbestedende dienst het voornemen tot schikking in het Publicatieblad van de Europese Unie met inachtneming van de vereiste wachttermijn (zg. vrijwillige transparantie). Finn Frogne stelde beroep in, stellend dat hier sprake was van een wezenlijke wijziging die tot aanbesteding verplichtte. De Deense Højesteret legde aan het Europese Hof prejudiciële vragen voor over de reikwijdte van het gelijkheids- en transparantiebeginsel in het geval van een schikking.
Het Hof geeft Frogne (onder verwijzing naar o.m. het Pressetext-arrest, C‑454/06, EU:C:2008:351) gelijk. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat een aanbestedende dienst bij complexe opdrachten, zoals opdrachten waarbij IT-systemen moeten worden ontwikkeld, zoals in dit geval, niet alleen gebruik moet maken van de meest geschikte aanbestedingsprocedure, maar ook hetvoorwerp van de opdracht zorgvuldig (bedachtzaam) moet omschrijven. Het Hof wijst erop dat de aanbestedende dienst zich daarbij bovendien de mogelijkheid kan voorbehouden om bepaalde, zelfs wezenlijke, wijzigingen aan de opdracht aan te brengen na de gunning ervan. Maar dit moet dan wel vooraf zijn bepaald in de aanbestedingsdocumenten. Als dat niet is gebeurd, vereist de noodzaak om voor een gegeven overheidsopdracht dezelfde voorwaarden toe te passen op alle marktdeelnemers, in geval van wezenlijke wijziging van deze opdracht, dat een nieuwe aanbestedingsprocedure wordt uitgeschreven. Het Hof verwijst in dat verband naar het Succhi di Frutta-arrest (C‑496/99 P, EU:C:2004:236, punt 127). Ten slotte wijst het Hof erop dat al deze uiteenzettingen niet afdoen aan de mogelijke gevolgen van de aankondiging in het geval van vrijwillige transparantie vooraf die in het kader van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht is gepubliceerd.
Wat leren we hieruit? Bij complexe opdrachten, bijvoorbeeld ICT-(ontwikkelings)opdrachten, is het risico dat problemen rijzen in het kader van de uitvoering volgens het Hof in feite voorzienbaar. Dat betekent dat een beroep op de uitzondering van een enkelvoudig onderhandse gunning vrijwel nimmer kan worden gerechtvaardigd. Het is dan ook zaak vooraf duidelijk de mogelijkheden en voorwaarden voor wijziging van de overeenkomst in de aanbestedingsstukken vast te leggen zodat geen nieuwe aanbesteding nodig is. Zijn wijzigingsvoorwaarden niet vooraf bepaald, dan kan het toepassen van vrijwillige transparantie voorafgaand aan een enkelvoudig onderhandse gunning er weliswaar toe leiden dat een inmiddels onderhands gesloten overeenkomst niet meer vernietigbaar is op grond van art. 4.15, lid 1 onder a – c, Aanbestedingswet 2012, maar dat verhindert niet dat in een bodemprocedure (bijvoorbeeld wegens verlies van een kans op verwerving van de gewijzigde opdracht) eventueel schadevergoeding kan worden gevorderd.

Eisen dat (deel) opdracht zelf moet worden uitgevoerd is verboden

Aanbestedende diensten zijn wel eens geneigd om te eisen dat (a) de opdracht, (b) een bepaald percentage van de opdracht, (c) een bepaald belangrijk gedeelte van de opdracht door de inschrijver (de hoofdaannemer) zelf moet worden uitgevoerd/zelf moet worden geleverd/zelf moet worden geproduceerd/met eigen middelen moet worden verricht o.i.d.. Uit een recent arrest van het Hof van Justitie blijkt dat een dergelijke eis niet mag. Het staat de inschrijver vrij om de opdracht geheel of gedeeltelijk door een derde (een onderaannemer) te laten verrichten. Dit is enkel verboden als de aanbestedende dienst de capaciteiten van de onderaannemer die noodzakelijk zijn om dat gedeelte van de opdracht te verrichten niet bij het beoordelen van de aanmeldingen of inschrijvingen heeft kunnen controleren. Kortom, een onderaannemer die achteraf - bij de uitvoering van de opdracht - wordt ingeschakeld mag wel worden geweigerd. Een onderaannemer die bij aanmelding/inschrijving door de inschrijver wordt opgevoerd mag in beginsel niet worden geweigerd.

Uniform Europees Aanbestedingsdocument

Sinds 1 juli 2016 moeten aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven het Uniform Europees Aanbestedingsdocument ('UEA') invullen en toevoegen bij hun aanbestedingsstukken als Eigen Verklaring. Op website van Pianoo is een betaversie gepubliceerd die moet worden gebruikt.  

De ingevulde UEA moet door gegadigden/inschrijvers verder worden ingevuld en ingediend bij aanmelding/inschrijving. Let op bij het invullen, zeker wanneer gebruik wordt gemaakt van derden om te voldoen aan de geschiktheidseisen of van onderaannemers (ook al wordt daar geen beroep op gedaan). Stel bij twijfel wat wel of niet moet worden ingevuld vragen aan de aanbesteder ter voorkoming van uitsluiting.

Vooraankondiging weer te gebruiken voor aankondiging marktconsultatie

Na signalen uit meerdere lidstaten heeft de Tender Electronic Daily (TED) haar beleid versoepeld, waardoor het weer mogelijk is om marktconsultaties Europees aan te kondigen. Aanbestedende diensten die een marktconsultatie willen publiceren, kunnen hiervoor de vooraankondiging in TenderNed gebruiken. Publicatie verschijnt dan zowel op TenderNed, als op Tender Electronic Daily (TED).

Staatssteun

Formele vereisten Algemene Groepsvrijstellingsverordening moeten volgens het Hof van Justitie strikt worden nageleefd

Op 21 juli 2016 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in de zaak Dilly’s Wellnesshotel GmbH tegen Finanzant Linz (zaak C-493/14). In deze zaak laat het Hof zich uit over de algemene (procedurele) bepalingen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) die gelden voor steunverlening onder deze verordening. Schending van deze bepalingen houdt volgens het Hof in dat de steunmaatregel niet kan worden vrijgesteld van de aanmeldplicht op basis van de AGVV.

Het Hof stelt voorop dat de aanmeldverplichting een van de fundamentele aspecten is van het controlesysteem op het gebied van staatssteun. Een lidstaat kan alleen gebruikmaken van de vrijstellingsmogelijkheden van deze aanmeldplicht uit de AGVV indien wordt voldaan aan alle procedurele bepalingen van de AGVV. De steunmaatregel moet daarbij een uitdrukkelijke verwijzing naar de AGVV bevatten, waarbij onder meer de titel en de vindplaats in het Publicatieblad van de Europese Unie worden aangehaald. Het Hof concludeert dat wanneer niet aan deze voorwaarde is voldaan, de vrijstelling van aanmelding bij de Europese Commissie niet van toepassing is.

De (formele) voorwaarden uit de AGVV moeten volgens het Hof dus strikt worden uitgelegd en niet slechts als een formaliteit worden aangemerkt. De voorwaarden van de AGVV bieden een vermindering van de administratieve lasten voor de lidstaten zonder dat het toezicht door de Commissie daardoor wordt verzwakt. De voorwaarden hebben tevens tot doel de transparantie en rechtszekerheid te vergroten.

Het Hof laat zich ook uit over het feit dat de Oostenrijkse overheid in een later stadium een uitvoeringsmaatregel heeft vastgesteld om de ontbrekende verwijzing te herstellen. In de loop van 2014 heeft de overheid deze maatregel kennisgegeven op basis van de nieuwe AGVV. Volgens het Hof kan deze maatregel, in ieder geval wat de betrokken periode betreft (1 januari 2013 t/m 31 december 2013) niet wegnemen dat de regeling niet voldeed aan de verplichting tot verwijzing.

Hoewel de uitspraak van het Hof zag op de oude AGVV is de uitleg die het Hof in deze uitspraak geeft ook relevant voor de toepassing van de huidige AGVV, die op 1 juli 2014 in werking trad.

Uit de uitspraak kan de conclusie worden getrokken dat wanneer aan een of meer van de formele voorwaarden van de AGVV niet tijdig is voldaan en deze onregelmatigheid later wordt hersteld, de vrijstelling alleen voor de toekomst van toepassing is.

Kennis delen

Inhouse cursus Mededinging, Aanbesteding en Staatssteun op maat

Maasdam Broers Fischer advocaten verzorgt op maat gesneden en praktijkgerichte, inhouse (compliance)trainingen en workshops. Maasdam Broers Fischer advocaten voert tevens audits uit ter waarborging van de mededingingsregels binnen uw organisatie. Indien u dit wenst, kunnen wij een scan uitvoeren op de aanbestedingsdocumenten op aanbestedingsrechtelijke onrechtmatigheden, onregelmatigheden en onduidelijkheden.

Lezingen

  • 19 september 2016: VU Law Leergang aanbestedingsrecht voor juristen (college 3 Anke)
  • 27 september 2016: Themabijeenkomst Vereniging Compliance in de Zorg (VCZ) 'Op weg naar rechtmatige en doelmatige zorg: vanuit 4 perspectieven' (organisatie door Yvonne en Pascal)
  • 29 september 2016: Beroepsopleiding Octrooigemachtigden (college Rob)
  • 12 oktober 2016: VU Law Leergang aanbestedingsrecht voor inkopers (college 3 Anke)
  • 3 november 2016: AvdR - Verkorte leergang aanbestedingsrecht (dag 1 Anne)
  • 10 november 2016: Beroepsopleiding Bedrijfsjuristen (college Rob)
  • 14 november 2016: Universiteit Utrecht Opleiding aanbestedingsrecht voor de inkooppraktijk (college Duurzaamheidscriteria Anne)
  • 24 november 2016: AvdR - Uitzending Leading Lawyers Aanbestedingsrecht (Anne)
  • 28 november 2016: VU Law Leergang aanbestedingsrecht voor juristen (college staatssteunrecht Yvonne)

Publicaties

  • Annotatie van arrest HvJ EU 16 juli 2015, zaak C-379/14 (Top Logistics BV en Van Caem International BV/Bacardi & Company Ltd en Bacardi International Ltd), in: SEW-Tijdschrift voor Europees en economisch recht 2016, p. 230 e.v. (Rob)
  • Noot bij conclusie A-G Campos Sánchez-Bordona van 30 juni 2016, zaak C-171/15 (Connexxion Taxi Services BV tegen Staat der Nederlanden, Transvision BV, Rotterdamse Mobiliteit Centrale RMC BV en Zorgcentrale Nederland BV), ECLI:EU:C:2016:506, in: <<JAAN>> 2016, oktobernummer (Anne)
Lees de tot heden verschenen artikelen integraal op deze website.

Meer informatie

Anke Stellingwerff Beintema: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 - 532 406 76
Anne Fischer-Braams: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 – 532 431 68 
Pascal Broers: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 182 456 98
Yvonne Maasdam: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 245 949 27
Rob Ludding: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 – 518 235 94

Colofon

Uitgave: één keer per twee maanden
Kosten: geen
Aanmelden: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. o.v.v. naam, functie en contactgegevens of online.
Volg ons voor actuele informatie ook op Twitter: twitter.com/mbfadvocaten

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden Maasdam Broers Fischer advocaten en alle andere entiteiten, samenwerkingsverbanden, personen en praktijken die handelen onder de naam 'Maasdam Broers Fischer advocaten', geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene informatie en kan niet worden beschouwd als advies.

Naar overzicht digitale nieuwsbrieven

Inschrijven nieuwsbrief

captcha