Go To Top
Direct naar nieuwsberichten over:

Vermelding in Who’s Who Legal - Government Contracts 2016

Onze aanbestedingsadvocaten Anne Fischer en Anke Stellingwerff Beintema zijn ook dit jaar door Who’s Who Legal aangemerkt als behorende tot de 'leading' aanbestedingsadvocaten in Nederland.

Mededinging

Rechtbank Rotterdam houdt boetebesluiten inzake het wasserijkartel voor grootste deel in stand

De rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspraak van 12 mei 2016 het grootste deel van de boetebesluiten van ACM inzake het wasserijkartel in stand gehouden. ACM had op 8 december 2011 boetes opgelegd aan vier wasserijen die textiel verzorgen voor zorginstellingen wegens overtreding van de Mededingingswet. De wasserijen zouden Nederland in rayons verdeeld hebben en hebben afgesproken dat zij elk een rayon kregen. Buiten hun eigen rayon was actieve acquisitie verboden. Volgens ACM was er sprake van een marktverdelingsafspraak die ertoe strekte de onderlinge concurrentie tussen de wasserijen te beperken. De wasserijen hebben beroep ingesteld tegen de boetebesluiten en stelden zich onder meer op het standpunt dat het hier zou gaan om franchiseovereenkomsten die zouden vallen onder het toepassingsbereik van de Groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten (Groepsvrijstelling Verticalen).

De rechtbank verklaart de beroepen van de drie grootste partijen ongegrond en het beroep van één partij gegrond wegens verjaring. De rechtbank is met ACM van oordeel dat het hier gaat om een marktverdelingsafspraak, waarbij de Nederlandse markt voor wasserijen voor de gezondheidszorg was verdeeld in verschillende rayons tussen concurrerende wasserijen en het de deelnemers van de samenwerkingsafspraak verboden was om buiten hun rayon actief klanten te verwerven (rayoneringsafspraak). Onder verwijzing naar onder meer het Toshiba arrest van het Europese Hof van Justitie van 20 januari 2016 oordeelt de rechtbank dat marktverdelingsovereenkomsten zeer zware inbreuken op de mededinging opleveren. Voorts overweegt de rechtbank onder verwijzing naar het Siemens arrest van het Hof van Justitie dat overeenkomsten die een verdeling van markten beogen, op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 101, eerste lid, van het VWEU zijn verboden, aangezien een dergelijk doel niet kan worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarin de betrokken mededingingsverstorende gedragingen worden verricht.

De stelling van de wasserijen dat het hier zou gaan om, op basis van de Groepsvrijstelling Verticalen van het kartelverbod vrijgestelde, franchiseovereenkomsten wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank oordeelt dat er in dit geval tussen partijen en franchisegever geen sprake is van zelfstandige en van elkaar onafhankelijke rechtspersonen die in een verticale relatie tot elkaar staan en op andere markten actief zijn. Er is volgens de rechtbank feitelijk slechts sprake van tussen op dezelfde markt actief zijnde partijen (de wasserijen) gemaakte afspraken. De franchisegever was niet zelfstandig actief, maar verrichtte uitsluitend diensten voor haar aandeelhouders. Dit betekent volgens de rechtbank dat in feite sprake is van horizontale afspraken, waarop de Groepsvrijstelling Verticalen niet van toepassing is. Bovendien oordeelt de rechtbank dat er ook geen sprake is van franchise nu de bij de franchisegever aanwezige kennis juist de kennis betrof die door de concurrerende wasserijen was ingebracht.

De rechtbank oordeelt ten slotte dat de betrokkenheid van een van de wasserijen bij het wasserijkartel vanaf 2003 was beëindigd en de inbreuk op het kartelverbod door deze partij dus inmiddels verjaard was. Het boetebesluit van deze partij is vernietigd. De totale boete voor de drie grootste wasserijen is vastgesteld op 12,5 miljoen euro.

Uit deze zaak blijkt dat het belangrijk is om samenwerkingsafspraken tussen (potentieel) concurrerende ondernemingen mededingingsrechtelijk te laten beoordelen en dat niet volstaat om een overeenkomst een bepaalde titel mee te geven, in dit geval franchising. Neem contact op met onze mededingingsspecialisten als u hierover vragen heeft.

Aanbesteding

Hoe om te gaan met B-diensten > drempelwaarde vanaf 18 april jl.?

B-dienst is sociale dienst of andere specifieke dienst
Voor (voormalige B-)diensten die vallen onder artikel 74 Richtlijn 2014/24/EU of artikel 91 Richtlijn 2014/25/EU en waarvan de waarde van de opdracht de drempelwaarde van € 750.000 (excl. BTW) respectievelijk € 1.000.000 (excl. BTW) overschrijdt, gelden de volgende verplichtingen:
  1. Voorafgaande Europese aankondiging of voortdurende vooraankondiging (via TenderNed) (enkelvoudig onderhands en meervoudig onderhands is dus niet mogelijk)
  2. Beginselen van gelijke behandeling, transparantie en proportionaliteit (deel 1 Aanbestedingswet)
  3. Bekendmaking gegunde opdracht (via TenderNed)
Zie vierde Nota van Wijziging Aanbestedingswet 2012.
Ons inziens kan daarnaast worden betoogd dat de betreffende artikelen vanaf 18 april jl. rechtstreekse werking hebben.

Er is geen verplichting tot beperking van het aantal gegunde partijen. Het zogenaamde ‘Zeeuwse model’, waarbij alle ondernemingen die (i) niet vallen onder de uitsluitingsgronden, (ii) voldoen aan de geschiktheidseisen, en (iii) de opdracht minimaal uitvoeren conform de gestelde minimumeisen, is ons inziens toegestaan.

B-dienst is 'gewone' dienst
Voor (voormalige B-)diensten die niet vallen onder artikel 74 Richtlijn 2014/24/EU of artikel 91 Richtlijn 2014/25/EU en waarvan de waarde van de opdracht de drempelwaarde van € 209.000 (excl. BTW) respectievelijk € 418.000 (excl. BTW) overschrijdt, gelden de volgende verplichtingen:
  1. Voorafgaande Europese aankondiging (via TenderNed) (enkelvoudig onderhands en meervoudig onderhands is dus niet mogelijk)
  2. Openbare procedure, niet-openbare procedure of – in geval van toepasselijkheid Richtlijn 2014/25/EU – onderhandelingsprocedure met aankondiging
  3. Beginselen van gelijke behandeling, transparantie en proportionaliteit (deel 1 Aanbestedingswet)
  4. Bekendmaking gegunde opdracht (via TenderNed)
Ons inziens kan immers worden betoogd dat de betreffende artikelen vanaf 18 april jl. rechtstreekse werking hebben.

Dit heeft gevolgen voor de marktplaatsen voor bijvoorbeeld ICT-inhuur.
  • Opdrachten boven de toepasselijke drempelwaarde moeten zowel in de marktplaats als (tegelijkertijd of eerder) Europees worden aangekondigd. Niet kan worden volstaan met een aankondiging in enkel de marktplaats (zoals thans gebruikelijk is). Ook moet de openbare of de niet-openbare procedure (of, in geval van een speciale-sectorbedrijf, de onderhandelingsprocedure met aankondiging) worden gevolgd.
  • De afzonderlijke Europese aankondigingsplicht geldt ook voor marktplaatsen die momenteel al zijn omgezet in een Dynamisch Aankoopsysteem (DAS), nu daarvoor ingevolge de Aanbestedingswet 2012 nog een verplichting tot aankondiging van de afzonderlijke opdracht geldt. Na inwerkingtreding van de wijziging van de Aanbestedingswet 2012 hoeven opdrachten die in een DAS worden aangekondigd niet ook nog afzonderlijk Europees te worden aangekondigd. Deze verplichting is dan komen te vervallen.
Het zogenaamde 'Zeeuwse model' is ons inziens toegestaan.

Uniform Europees Aanbestedingsdocument

In de Aanbestedingswet 2012 is sinds 1 april 2013 het gebruik van de Eigen Verklaring voorgeschreven. Aanbesteders moeten het formulier invullen en bij hun aanbestedingsstukken voegen. Inschrijvers moeten de Eigen Verklaring nader invullen en bij hun inschrijving voegen. Zij verklaren daarmee niet te vallen onder de uitsluitingsgronden en te voldoen aan de geschiktheidseisen. De modellen Eigen Verklaring kunnen worden gevonden op de website van Pianoo.  

De Europese Commissie heeft per 18 april 2016 het gebruik van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument ('UEA') voorgeschreven. Dit vervangt de nationale eigen verklaringen, waaronder de Eigen Verklaring.

Vanaf oktober 2018 wordt het UEA uitsluitend in elektronische vorm verstrekt. De Europese Commissie biedt aanbesteders, inschrijvers en andere partijen die het UEA (nu al) elektronisch willen invullen, een gratis webdienst aan. Het onlineformulier kan worden ingevuld, afgedrukt en vervolgens samen met de overige onderdelen van de inschrijving aan de aanbesteder worden gestuurd. Als de procedure elektronisch wordt uitgevoerd, kan het UEA elektronisch worden geëxporteerd, opgeslagen en ingediend. Een UEA dat in een eerdere aanbestedingsprocedure is verstrekt, kan worden hergebruikt, zolang de daarin vermelde informatie nog steeds correct is. De benaming Eigen Verklaring in de Aanbestedingswet wijzigt niet.

Beperkingen aan een beroep op een derde

Op 7 april 2016 beantwoordde het Hof van Justitie prejudiciële vragen in de zaak Partner Apelski. Het arrest ging met name in op de vraag in hoeverre een aanbesteder de mogelijkheden die een inschrijver heeft om zich te beroepen op een derde kan beperken.

Uit het arrest blijkt het volgende:
  • Een inschrijver is vrij om te kiezen welke juridische banden hij aanknoopt met de derde op wiens middelen (lees: draagkracht of technische bekwaamheid) hij een beroep doet;
  • Een inschrijver moet wel kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk beschikt over de betreffende middelen;
  • Voor zover de betreffende derde de middelen niet kan overdragen aan de inschrijver, kan de inschrijver zich slechts op de middelen beroepen indien de derde rechtstreeks en persoonlijk deelneemt aan de uitvoering van de opdracht (m.a.w. wordt ingezet als onderaannemer);
  • Een aanbesteder mag geen uitdrukkelijke voorwaarden opleggen waaraan voldaan moet worden in geval een inschrijver een beroep wil doen op de middelen van een derde, tenzij deze voorwaarden noodzakelijk zijn met het oog op de correcte uitvoering van de opdracht;
  • Voorgaande voorwaarden dienen verband te houden met en in verhouding te staan tot het voorwerp en de doelstellingen van de opdracht;
  • Voorgaande voorwaarden moeten in de aankondiging of de aanbestedingsstukken bekend worden gemaakt, zodat ondernemers de mogelijkheid hebben om alternatieve wijzen van een beroep op de middelen van een derde voor te stellen die eveneens garanderen dat die middelen werkelijk ter beschikking worden gesteld;
  • Na implementatie van de aanbestedingsrichtlijnen geldt, dat inschrijvers zich voor wat betreft criteria inzake de relevante beroepservaring slechts mogen beroepen op de middelen van een derde wanneer die derde de betreffende werken of diensten, waarvoor die middelen vereist zijn, zal verrichten (m.a.w. wordt ingezet als onderaannemer). Voor 18 april 2016 gold dit nog niet;
  •  Na opening van de inschrijvingen mag een inschrijver zijn inschrijving niet meer dusdanig wijzigen dat in feite sprake is van een nieuwe inschrijving.

Wie uit te nodigen bij een meervoudig onderhandse aanbesteding?

Op 25 maart 2016 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de zaak HLA/Kadaster.

Kort gezegd, ging het geschil om het volgende. Het Kadaster had een meervoudig onderhandse aanbesteding uitgeschreven voor de levering van een desktop-applicatie. Het Kadaster heeft hiertoe 27 bedrijven uitgenodigd. Deze staan allemaal op een lijst die is opgesteld door het BAO (Bronhouders- en Afname Overleg). Het Kadaster heeft HLA, die niet op deze lijst staat, niet uitgenodigd. HLA stelt zich op het standpunt dat het Kadaster aldus onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

De Hoge Raad oordeelt als volgt:
  • Indien een overheidsdienst kiest voor een vrijwillige nationale aanbesteding of een meervoudig onderhandse procedure zijn de uitgangspunten gelijkheid en transparantie van toepassing. Dit volgt uit de Aanbestedingswet 2012, en volgde voordien reeds uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  • Indien een private partij kiest voor een vrijwillige nationale aanbesteding of een meervoudig onderhandse procedure zijn de uitgangspunten gelijkheid en transparantie eveneens van toepassing. Dit volgt uit de in de precontractele fase geldende maatstaven van redelijkheid en billijkheid. (NB. De Hoge Raad verwijst naar het Comformed-arrest, en niet naar het latere KLM-arrest aanbesteding waarin de Hoge Raad een nuancering hierop aanbracht.)
  • Bij een meervoudig onderhandse aanbesteding is de (private) aanbesteder vrij in de keuze van degenen die hij wenst uit te nodigen tot doen van een aanbieding.
  • De beginselen van gelijke behandeling en transparantie brengen mee dat de (private) aanbesteder zijn selectie van uit te nodigen aanbieders dient te maken op basis van objectieve criteria.
  • Doet hij dit niet, dan kan het niet uitnodigen van een of meer partijen onrechtmatig zijn.
  • In casu was sprake van een objectief criterium waaraan HLA niet voldeed. Er was dus geen sprake van onrechtmatig handelen van het Kadaster.

Begrip ‘raamovereenkomst’

Recent ging het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in op de vraag of een overeenkomst is aan te merken als een raamovereenkomst of niet. Het antwoord op deze vraag is onder meer relevant voor het bepalen van de maximale duur van de overeenkomst. Is sprake van een raamovereenkomst dan mag deze in beginsel niet langer zijn dan vier jaar.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde, dat ook als sprake is van een leverings- of afnameverplichting sprake kan zijn van een raamovereenkomst. Dit is het geval als een aanbestedende dienst gedurende een bepaalde periode producten of diensten wil afnemen van of werken wil laten verrichten door een of meer aanbieders en daarover vooraf afspraken wil maken. De daadwerkelijke opdrachtverlening vindt nog niet plaats.

Nieuwe editie Handboek Groen aanbesteden

In april 2016 heeft de Europese Commissie een nieuwe (3e) editie gepubliceerd van het Handboek Buying Green. Het handboek is het belangrijkste richtinggevende document van de Commissie om aanbestedende diensten te helpen producten en diensten aan te kopen met een lagere milieu-impact. Het bevat handvaten voor hoe - in overeenstemming met de nieuwe richtlijnen van 2014 - milieucriteria kunnen worden ingepast in de verschillende fasen van een aanbestedingsprocedure, verduidelijkt aan de hand van praktische voorbeelden. Het handboek verwijst tevens naar sectorspecifieke regelgeving inzake milieucriteria voor gebouwen, voedings- en cateringdienstverlening, voertuigen en het energieverbruik van producten. 
De tegenhanger voor het verwerken van sociale overwegingen in aanbestedingen - de Gids Sociaal kopen - is nog niet herzien. De meest recente versie dateert van januari 2011.

Herziening Aanbestedingswet koerst aan op 1 juli a.s.

Het is duidelijk dat de implementatiedatum van 18 april 2016 niet is gehaald. Het wetsvoorstel is nu in behandeling bij de Eerste Kamer. Verantwoordelijk minister Kamp van EZ streeft nu naar implementatie van de gewijzigde wet en bijbehorende uitvoeringsregelingen per 1 juli a.s.

De Minister heeft op 4 mei jl. aan Tweede en Eerste Kamer de volgende (ontwerp)regelingen aangeboden:
Verder heeft de Minister op 13 mei jl. de memorie van antwoord bij het voorstel tot wijziging van de Aanbestedingswet aangeboden aan de Eerste Kamer. Wij lichten enkele punten uit de vrij korte memorie van antwoord.

  • Verplichte motivering gunning op laagste prijs én gunning op laagste kosten o.b.v. kosteneffectiviteit
    Het wetsvoorstel introduceert Economisch Meest Voordelige Inschrijving (EMVI) als koepelbegrip voor alle gunningscriteria. Dit volgt uit de bewoordingen van de aanbestedingsrichtlijnen. EMVI is derhalve niet langer het tegenovergestelde van laagste prijs, maar laagste prijs is daarmee een van de drie gunningscriteria geworden die onder EMVI worden gevat. De andere twee zijn beste prijs-kwaliteitverhouding – dat wat we nu nog EMVI noemen – en laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit. Met de aanpassingen in het wetsvoorstel wordt het uitgangspunt dat in beginsel niet op basis van laagste prijs wordt gegund, gehandhaafd. Gebruik van het gunningscriterium van de laagste prijs dient door de aanbestedende dienst te worden gemotiveerd. Als gevolg van het amendement Gesthuizen c.s. (Kamerstukken II 2015/16, 34 329, nr. 11) wordt daarnaast in artikel 2.114, vierde lid, van de Aanbestedingswet 2012 bepaald dat gunnen op basis van laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit ook moet worden gemotiveerd.
  • Voorlopig geen aanwijzing van aanbestedende diensten/specifieke opdrachten die niet o.b.v. laagste prijs of laagste kosten o.b.v. kosteneffectiviteit mogen worden gegund
    Het amendement Monasch (Kamerstukken II 2015/16, 34 329, nr. 28) maakt het mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat nader aan te wijzen aanbestedende diensten bij specifieke opdrachten de gunningscriteria “laagste prijs” of “laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit” niet mogen toepassen. De minister vindt een dergelijke algemene maatregel van bestuur een zeer vergaand middel omdat de keuze aan aanbestedende diensten wordt ontnomen en maatwerk onmogelijk wordt gemaakt. Hij is dan ook voorlopig niet van plan uitvoering te geven aan dit amendement.
  • Regulerend kader voor inbestedingen?
    Wat de wenselijkheid van een regulerend kader voor inbestedingen betreft, wil de minister eerst de uitkomsten afwachten van de evaluatie van hoofdstuk 4b van de Mededingingswet dat gaat over overheden en overheidsbedrijven (lees: Wet Markt en Overheid) afwachten. Het doel van deze evaluatie is onder meer te kijken of nadere maatregelen voor inbestedingen nodig zijn. De evaluatie en de kabinetsreactie hierop zullen voor de zomer aan de Kamer worden gestuurd.
Zie Rijksoverheid.nl 

Staatssteun

Gerecht bevestigt dat de Duitse wet inzake hernieuwbare energie staatssteun inhoudt

In zaak T-47/15 heeft het Gerecht het beroep van de Duitse regering tegen de beschikking van de Europese Commissie verworpen waarbij de Commissie als staatssteun aanmerkte: (i) de steun aan ondernemingen die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen produceren (steun die de Commissie niettemin goedkeurde) en (ii) de verlaging van de EEG-toeslag voor bepaalde elektriciteit-intensieve ondernemingen (steun die de Commissie voor het grootste deel goedkeurde).

De Duitse regering bestreed het oordeel van de Commissie dat de Duitse wet inzake hernieuwbare energie van 2012 (“de EEG 2012”) staatssteun inhoudt, ook al heeft de Commissie de steun uiteindelijk grotendeels in overeenstemming met de gemeenschappelijke markt verklaard.

De Duitse wet ondersteunt ondernemingen die elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en mijngas opwekken. Ingevolge deze wet ontvangen deze producenten gegarandeerd een hogere prijs dan de marktprijs. Voor de financiering van deze steunmaatregel wordt een “EEG-toeslag” opgelegd aan de leveranciers van de eindgebruikers, die in de praktijk wordt doorberekend aan de eindgebruikers. Bepaalde ondernemingen, zoals elektriciteit-intensieve ondernemingen in de verwerkende industrie, komen echter in aanmerking voor een maximum van de totaal verschuldigde toeslag om hun internationale concurrentiepositie te behouden.

De Commissie was van oordeel dat, hoewel de Duitse wet staatssteun vormde, de steun verenigbaar was met de interne markt. De Commissie merkte daarnaast ook de verlaging van de EEG-toeslag voor elektriciteit-intensieve ondernemingen aan als staatssteun. Omdat de Commissie van mening was dat deze kortingen voor het grootste deel verenigbaar zijn met de interne markt, gelastte de Commissie de terugbetaling van slechts een beperkt deel van de kortingen.
In dit arrest verwerpt het Gerecht alle argumenten waarmee de Duitse regering dat geen sprake is van staatssteun.
Volgens het Gerecht is de verlaging van de EEG-toeslag een voordeel in de zin van de staatssteunregels. Met deze verlaging worden de betrokken ondernemingen vrijgesteld van een last die zij normaal gesproken hadden moeten dragen. De redenen die ten grondslag liggen aan een steunmaatregel volstaan volgens het Gerecht niet om uit te sluiten dat een maatregel als staatssteun kwalificeert.

Bovendien heeft de Commissie zich volgens het Gerecht terecht op het standpunt gesteld dat de middelen waarmee de EEG-toeslag wordt gefinancierd, kwalificeren als staatsmiddelen.
Ten eerste omdat de middelen onder de overheersende invloed van de overheid blijven. Ten tweede omdat de EEG-toeslag gelijkgesteld kan worden met een heffing. En tot slot omdat de beheerder van de middelen niet vrij is in de besteding ervan.

Kennis delen


Inhouse cursus Mededinging, Aanbesteding en Staatssteun op maat

Maasdam Broers Fischer advocaten verzorgt op maat gesneden en praktijkgerichte, inhouse (compliance)trainingen en workshops. Maasdam Broers Fischer advocaten voert tevens audits uit ter waarborging van de mededingingsregels binnen uw organisatie. Indien u dit wenst, kunnen wij een scan uitvoeren op de aanbestedingsdocumenten op aanbestedingsrechtelijke onrechtmatigheden, onregelmatigheden en onduidelijkheden.

Lezingen

  • 28 juni: IBR Symposium Aanbestedingsrecht, Flexibiliteit in aanbestedingen (Anne)
  • 29 juni: VU Law Leergang aanbestedingsrecht voor juristen (college staatssteunrecht) (Yvonne)
  • 19 september: VU Law Leergang aanbestedingsrecht voor juristen (college 3) (Anke)
  • 12 oktober: VU Law Leergang aanbestedingsrecht voor inkopers (college 3) (Anke)

Publicaties

Lees de tot heden verschenen artikelen integraal op deze website.

Meer informatie

Anke Stellingwerff Beintema: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 - 532 406 76
Anne Fischer-Braams: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 – 532 431 68 
Pascal Broers: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 182 456 98
Yvonne Maasdam: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., 06 - 245 949 27
Rob Ludding: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 06 – 518 235 94

Colofon

Uitgave: één keer per twee maanden
Kosten: geen
Aanmelden: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. o.v.v. naam, functie en contactgegevens of online.
Volg ons voor actuele informatie ook op Twitter: twitter.com/mbfadvocaten

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden Maasdam Broers Fischer advocaten en alle andere entiteiten, samenwerkingsverbanden, personen en praktijken die handelen onder de naam 'Maasdam Broers Fischer advocaten', geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene informatie en kan niet worden beschouwd als advies.

Naar overzicht digitale nieuwsbrieven

Inschrijven nieuwsbrief

captcha